Kleine Vis

SAMSUNG

Kleine Vis

Ooit zwom er in een piepkleine kom een piepkleine vis. Haar hele leven had deze vis in die kom doorgebracht. Ze kende elke plek, elke korrel zand, elke druppel water. Ze was verveeld.

Toen zag Kleine Vis een grote kom staan, recht naast haar piepkleine kom. Ze werd nieuwsgierig. Ze wist alleen van water en zand en ze dacht dat er in de grote kom vast meer zand en water zou zijn.

Nieuwsgieriger en nieuwsgieriger, Begon Kleine Vis steeds vaker te denken aan de grote kom, denken werd voelen, voelen werd verlangen,. Tot ze op een dag haar kracht verzamelde en zo van de piepkleine kom, recht in de grote kom sprong.

Ze voelde het nieuwe water haar schubben raken en langzaam opende ze haar ogen. Naar mate het water kalmer werd ontvouwde Kleine Vis haar nieuwe wereld stukje voor stukje. De grote kom bevatte een wereld die Kleine Vis nooit ervaren had. Er groeide planten waar ze geen naam voor had. Er lagen stenen met kleuren die ze nooit had bedacht.

Ze ontdekte ze elke dag nieuwe dingen,. Maar enkel voor een tijdje.
De kleuren van de stenen sleten in haar geheugen. Ze leerde alles wat er was over de planten. Ze kende elke plek, elke korrel zand, elke druppel water. Ze raakte opnieuw verveeld.
Ze begon opnieuw te zoeken, en al snel viel haar oog op een grote-grote kom. Kleine Vis kon haar geluk niet op. Mocht ze het nog eens doen? Welke nieuwe dingen lagen daar op haar te wachten? Vastberaden en zonder aarzelen verzamelde ze haar kracht en ervaring en sprong zo van de grote kom in de grote-grote kom.

In haar opwinding wervelde ze rond en rond in haar nieuw gevonden thuis. Toen ze haar kalmte weer had onderzocht ze haar nieuwe thuis. De wereld die zich ontwaarde bevatte niet alleen planten, stenen en kleuren die ze nog nooit gezien had. Het toonde haar ook een kasteel, alleen voor haar.

Ze voelde zich de koning te rijk. Elke dag ging ze op ontdekkingstocht naar nieuwe hoeken in het kasteel. Ze ging op reis naar de velden van haar land, waar ze alles leerde over de planten die ze aantrof.

Maar het duurde niet lang tot ze alle kamers had ontdekt, elke toren had gezien en elke geheime deur had geopend.

Ze was tevreden, maar vroeg zich af of dit alles was.

Tot ze op een dag aan het zwemmen was en op de rand van haar koninkrijk stuitte. Daar waar ze eerst niet voorbij keek, zag ze iets achter de grens liggen. Iets vreemds.
Een blauwheid, of was het groen? Haar ogen zagen het begin, zochten naar het eind. Maar er kwam geen einde. Het blauw strekte zo ver uit als Kleine Vis haar ogen konden zien. Haar oude vertrouwde nieuwsgierigheid maakte plaats voor een nieuwe sensatie. Angst.
Wat kan deze blauwe wijdte zijn? Het bewoog, net als haar eigen wereld.
Maar veel trager.
Met meer geduld.
Met meer kracht.
Ze wist dat ze in de blauwheid kon springen. Maar wilde ze dat wel? Opnieuw het vertrouwde opgeven? Haar kasteel, haar koninkrijk, haar huis, alles wat ze kende en geleerd had? Wilde ze dat achterlaten?

Ze bleef in haar wateren.

Voor een tijd. Want tussen het ruizen van de golven, die komen en gaan, heen en weer, hoorde ze een uitnodiging. Het blauw fluisterde haar naam.
Kleine Vis werd nieuwsgieriger en nieuwsgieriger. Haar kasteel, wat ze met zo veel geluk had gevonden, loslaten in ruil voor het onbekende?

“Misschien ga ik dood…” dacht ze.

Ze zwom nog eens rond in haar domein. Ze nam alles voor een laatste keer in haar op. De bescherming van haar kasteel. De kleuren van het zand. Het water dat zo rustig haar schubben raakte.

En ze zette zich schrap. Ze verzamelde haar kracht, haar ervaring en haar vertrouwen en zwom zo hard zo kon door het water, naar boven. Ze brak de oppervlakte, door de lucht. Voor secondes die voelde als lichtjaren vloog ze door de hemel. Ze zag het blauw onder haar, en kwam dichter en dichterbij. Tot het blauw (of was het groen) alles was dat ze kon zien.
En zo viel Kleine Vis in de armen van de oceaan.

Kleine Vis zonk diep in het water, dieper dan ze ooit had kunnen zinken. Voordat ze haar ogen durfde te open voelde ze stromingen, beweging, vervloeiing van het water.
De oceaan ademde kalm en Kleine Vis ademde mee.
Ze opende haar ogen en zag een oneindige diepte onder haar, het diepste blauw dat er bestond. Ze zag planten, stenen en kleuren die ze nog nooit gezien had. Ze zag koralen, schepen en sterren. Kleine Vis wist niet of ze blijheid of verdriet voelde, of beide tegelijk.

Het blauw bood haar een oneindigheid aan ontdekkingen. Ze bedacht dat ze meer levens zou moeten leven dan ze op haar vinnen kon tellen, om het allemaal gezien te hebben.
En vanaf dat moment was Kleine Vis nooit meer verveeld, en leefde haar leven in verwondering.

 

 

Tekst en illustratie door Lisa van der Zanden.

Thuis van een bezig bijtje